Reisverslag familie Tax-Janssen Afdrukken E-mailadres

Reisverslag van de familie Tax-Janssen, zij hebben van 13 juli tot 8 augustus 2010 een op maat samengestelde rondreis naar Kalimantan (Indonesisch Borneo) gemaakt.


Op de dag dat het Nederlandse elftal dat net niet het WK heeft gewonnen, wordt gehuldigd in Amsterdam vertrekken we vanaf Düsseldorf-Flughafen naar Dubai en vervolgens door naar Jakarta. Vandaar verder naar Banjarmasin – Kalimantan, met het vliegtuig van Lion Wings (FLY IS CHEAP). Onze gids Amat staat al op ons te wachten en dit is tekenend voor de organisatie van de hele reis. En waar de dingen eventueel anders gaan dan verwacht, wordt het uitstekend opgelost!

Eerste deel: jungletocht 10 dagen, Kalminantan B
Na een rustdag vertrekken we ’s morgens met gids Amat en een chauffeur in een busje, op weg naar de jungletocht van tien dagen, een bouwsteen van Green Canyon Reizen. In de volgende 5 uur verandert het landschap. Van een vieze stad met een Wibautstraat-achtig aanzien, naar steeds meer groen, laagbouw, houtbouw op palen. Het verkeer is even wennen. We rijden links op de grote vierbaansweg, maar de 2 rijstroken worden ook links en rechts gevuld met brommers, waar 1, 2, 3 of 4 mensen op zitten. Veel toeteren is gebruikelijk om te laten zien dat je zeker niet zult stoppen voor een overstekend kind, oude vrouw of brommer met gezin.
Aan de weg staan houten huisjes op palen. Eronder zijn vaak stukjes nat land. Opvallend veel verkoop van autobanden, velgen en blinkende koepels van moskeeën. Moskeeën zijn er veel en hebben bonte kleuren, heerlijk kitsch.
Het regenseizoen is dit jaar niet gestopt en daardoor wordt onze in het droge seizoen geplande reis toch wel anders. Overal is modder. Na nog een stukje geïmproviseerd vervoer (de regen heeft een enorm stuk van de weg meegesleurd de rivier in en onze auto kan de alternatieve route (modder!) niet aan), wandelen we het Dayak-dorpje Kyo in.
Kyo bestaat uit zo’n tien houten huizen op palen, behoorlijk groot, 60 m2, 1 verdieping, veranda, golfplaten dak. Ons huis is totaal ongemeubileerd, van prachtig hardhout, schoon. In een ingebouwde kamer heeft het gezin zich teruggetrokken. We zitten op de grond en eten rijst met noodles. Het team, waarmee we straks de jungle ingaan, eet niet met ons mee, maar na afloop, in de keuken. Wij voelen ons er ongemakkelijk bij. Ook afruimen wordt niet verwacht, maar we blijven het gewoon doen. We vragen Amat: waar kunnen we ons douchen? Waar kunnen we naar de wc? ”In the river. Toilet: anywhere.”
Deze Dayaks zijn boeren en verbouwen muskaatnoten, pepers, rubber en rijst. Op de achtergrond horen we trommels en het zingen van de medicijnman. We worden uitgenodigd om te gaan kijken naar de wonderbaarlijke genezing, maar vinden dit toch te intiem. De medicijnman trommelt uren en uren door in de nacht. Slapen is er niet echt bij: het is koud, geen matras, geen kussen, geen deken.

Na een lange, wakkere nacht staan we toch fris op. Saskia weet dat als je alleen rust, je toch 80% van je slaapbehoefte dekt. We klampen ons er de komende dagen aan vast. We krijgen brood als ontbijt, maar Amat zegt er meteen maar bij dat dit ook meteen de laatste keer is, wegens de beperkte houdbaarheid. Langzamerhand is het team compleet: Alle vijf sjouwen ze veel. Kok Ancu is tevens amateurfotograaf en heeft een extra rugzak met apparatuur mee die hij op zijn buik draagt. Een vrolijke Dayak uit Kyo heeft als rugzak een rijstzak met een hoofdband en twee schouderbanden geritseld.
Daar gaan we dan onder toeziend oog van het hele dorp, dat zich op de veranda tegenover heeft verzameld, op weg, de regen in stromen. Hoe lang regent het hier, vragen we Amat. ‘Soms drie uur, soms de hele dag’. We lopen door het landbouwgebied, over bladeren, vrij horizontaal: rubberbomen lange, rechte stam onder zijtakken, ingekerfde schors, via een tuutje druppelt het rubber in een halve kokosnoot onderaan de stam. Elke dag lopen de mensen uit Kyo dit pad heen en terug naar hun werk. We passeren de eerste boomstammen waar we overheen moeten lopen. De Dayakman maakt, voor wie wil, met zijn kapmes een mooie bamboewandelstok met handige punt om in de zompige grond te prikken. Aan Tycho de eer: de eerste bloedzuiger in de schoen. Ze laten los met het zout dat we (goede tip) van huis hebben meegenomen.

Langzamerhand slingert ons pad omhoog, de merantiwortels vormen vaak een natuurlijke trap. De kleinere wortels heb je nodig om je aan omhoog te hijsen.
In de schemer komen we aan bij een platform op palen met een dak van zeildoek eromheen. Ons team maakt handig een enorme rieten mat van die belachelijk grote bladeren die hier overal groeien. Tycho, Yuri en Pepijn doen ijverig mee. Ze hebben een vuur gemaakt, ook een kleintje voor de jongens. Daar trekken we onze zeiknatte schoenen uit: blubber, modder, stinken. We hangen alles hoog weg uit angst voor beestjes in de schoenen. Ieder heeft nog een stel droge kleren mee – die trekken we aan voor de warmte. In de communicatie is kennelijk één ding misgegaan: er zijn geen matjes of dekens voor ons meegenomen. We hebben het koud en slapen slecht. In de junglenacht maken de gekste beesten een ongelofelijke herrie maar wij liggen veilig hoog. ‘Lekker slapen’ zegt Amat vriendelijk in het Nederlands.

Met een ‘Morning call’ van Amat staan we op. Vandaag beklimmen we de Halau Halauberg. Het is flink doorlopen. Door bamboebossen, door riviertjes. Op alles groeit alles. Op dode bomen nieuwe varens, op alle bomen een epifyt, paddenstoelen, weinig bloemen. Modder heeft een prachtige kleur: van okergeel naar roze bruin. Het gaat omhoog. Op handen en voeten, vastgrijpen aan de boomwortels, omhoogtrekken. We komen in het bijna donker op een open plek. Daar komt het kamp. Het giet. Handig hakken de dragers bamboe en maken twee tenten (=zeildoek over een horizontale bamboe –een grondzeil op de grond) en we zijn op 1500 meter hoogte! Als we dicht tegen elkaar aanliggen, zouden we net op het kleine zeildoek moeten passen. We krijgen de slappe lach tijdens onze onmogelijke slaappositie. We liggen heel dicht tegen elkaar. Tycho en Sas onder de emergency blanket, Karin tegen Pepijn onder een dunne sarong, Yuri en Peter onder de andere sarong. Tijdens de kille nacht komt een dier nieuwsgierig aan Saskia’s oor snuffelen, maar het is zo pikdonker dat we totaal geen idee hebben wat het was.

Ons plan is de zonsopgang te zien bovenop de Halau Halau berg, die het dak van Borneo wordt genoemd - en we laten onze bagage in het ‘basiskamp’ achter. We strompelen 45 graden omhoog. Goddank is het nu even regen-vrij. Het laatste stuk gaat over kale steen, bijna recht omhoog. Een angstige klim, zeker bij de gedachte dat we hierlangs ook weer terug moeten. En daar staan we, op een plateau van 20 bij 30 meter, om ons heen alleen maar wolken. We wachten totdat er even een gat valt en dan pas zien we hoe hoog we zijn. Ver boven alle bergen uit. En dan is het moment alweer voorbij en sluiten de wolken zich. En opeens is daar de heilige witte kip. Het beest heeft honger en laat zich makkelijk knuffelen door de dragers die er liefdevol mee omgaan, hoewel: “Good for chickensoup”. Via het basiskamp gaat het de hele weg omlaag. Het regent onafgebroken. We komen weer langs de moeilijke boomstammen over vrij diepe kloven, nu gladder van de regen. De paadjes langs een schuine afgrond zijn nu modderig, een voet breed met nauwelijks houvast voor je handen. Yuri tuimelt bijna kop voorover de afgrond in. We komen aan bij ons huisje op palen – wat lijkt het nu een luxe, na de nacht op de top. We weten het zeker: deze nacht zullen we lekker slapen.

Doordat we veel te laat vertrekken zullen we de dag erna anderhalve dagtocht moeten maken. Maar voor nu is het heerlijk, de zon schijnt, en vandaag is de dag dat we langs en door de rivieren zullen lopen. De rivieren zijn groter of kleiner. Pepijn deels tot zijn middel erin. We helpen elkaar met stokken en handen en de dragers helpen stevig. Pepijn wil het zelf doen met zijn mooie stok, maar een drager kan ‘m nog net aan zijn arm uit de rivier hijsen. De stroming is zeer verraderlijk en al met al veel sterker dan je kunt zien.
Al vroeg, om vier uur, maken we kamp aan de oever van een rivier. Dit is het meest idyllische plekje van de jungletocht. Er ontstaan twee kampvuren: eentje voor de jongens om mee te rotzooien, eentje voor het koken. We slapen heerlijk op onze zachte bedden van zand en bladeren.

De volgende ochtend beginnen we aan een lange klim, een modderberg op: behoorlijk stijl, glijden tussen de merantiwortels. Als we eindelijk op de top staan, krijgen we een compliment. “It was very hard” en we hebben goed doorgelopen. Hoewel we moed hebben gevat, zijn we er nog lang niet. Belachelijk veel bamboebruggen, hangbruggen, of gewoon een paar bamboestelen over een kloof (“Only use the right three ones”. De rest was rot.) Langzamerhand gaan we de jungle uit en komen we in landbouwgebied. Kaneelbomen, bananen, rubber. We komen (het begint al te schemeren) aan in een groot, op het eerste gezicht smoezelig Dayak dorp. Alles is modder, logisch, maar het maakt het wel lastig om naar de ‘wc’ te gaan. Baden in de rivier: Sas en ik volledig aangekleed!, want we trekken veel bekijks. We maken elkaars rug ‘schoon’ met een sok van Yuri. Yuri die overigens met fototoestel en al gaat baden.
We slapen bij bewoners thuis, op een paar matten, aan de andere kant van de kamer zitten, met gekruiste benen, de rest van het huishouden (10 kinderen) en nog wat volwassenen te roken. Amat is middenin in slaap gevallen – hij zit erdoorheen, want Ancu is kwijt. Hij heeft waarschijnlijk een afslag gemist en in het donker wil niemand van het dorp helpen zoeken. Uiteraard hebben we al dagen geen mobiel bereik, dus we hopen er maar het beste van.

De volgende dag bekijken we het dorp. Het oude longhouse is nog in gebruik, maar ieder die geld heeft, bouwt nu zijn eigen huis. Het dorp is behoorlijk uitgebreid. Waterleidingsysteem met grote, gele containers, met een kraantje eronder. Je kunt er water tappen, maar ook de babybillen eronder afnemen. De kinderen proberen een kokosnoot uit een boom te halen met Amats kapmes. Een hilarisch tafereel, waarbij de hele dorpsjeugd uitloopt om het eens goed te bekijken.
Op de veranda zijn onze gastheer en -vrouw continu bezig met het bewerken van pijpkaneel: De buitenkant wordt eraf gekrabd met een groot mes, daarna krult het in de loop der tijd op tot lange kaneelstokken. We kopen 1 kilo voor 1 euro. En we zijn nu ook de trotse eigenaars van ons eigen Dayakmes, een afdankertje van de kleinzoon. Dan gaan we op weg via de geasfalteerde route naar Loksado (woonplaats van Amat en zijn 11 broers en zusters). Het gaat zo steil dat we soms bijna meer naar beneden glijden. Er zijn veel brommers. Onderweg horen we gelukkig dat de ons verdwenen teamlid om midden in de nacht is aangekomen in Loksado. In Loksado leven Dayaks, moslims en christenen samen, zo’n 1000 families. Kleur, schoon, vriendelijk. We slapen in een Lodge, even buiten Loksado. Aan een glooiend grasveld liggen onze kamers, met de rivier ervoor, bergen in het uitzicht. We voelen ons net oude kolonisten. We nemen afscheid van een deel van onze crew. ’s Avonds hebben de kinderen grote lol met een rat in de hotelkamer. Ze proberen hem te vangen met eten en een plastic bakje. De rat wint.

We ontbijten in het verder verlaten restaurant van de lodge die wordt gerund door twee oude, smoezelige Chinezen. Nu begint de laatste etappe van onze jungletocht: op een bamboevlot de rivier af. Onze twee vlotgidsen arriveren: vader en zoon? We verdelen ons over de twee vlotten. Anderhalf uur lang stroomafwaarts op de redelijk snelstromende rivier, zeer ondiep, met stroomversnellingen en veel rotsen erin. Om ons heen het prachtige gebergte. Het vlot is slim geconstrueerd met minimale middelen. Vaak stroomt het water erdoorheen, maar dat maakt voor de constructie niks uit. Een kleine verhoging achterop in het midden zorgt voor droge billen en dat je de bestuurder niet in de weg loopt, want hij moet langs de hele rand lopen en afduwen met zijn (bamboe) stok.
En opeens is het over. We stappen in het busje en maken een rit van 4 uur terug naar de bewoonde wereld, terug naar Banjarmasin.

Tweede deel: Derawan: hemels eiland
Nu volgt het tweede deel van onze reis: het idyllische eiland Derawan. Het staat niet op de site van Green Canyon Reizen, maar Jan Staal heeft het op ons verzoek ertussen gepland. Er zitten twee vliegreizen tussen, met taxi’s heen en terug van het hotel, alles prima geregeld. Dan volgt de lange rit van het vliegveld naar het oversteekpunt. Het landschap ziet er steeds slechter uit: regenwoud dat steeds meer beschadigd is voor de landbouw. De weg slingert willekeurig langs en over rivieren, omhoog, omlaag, vol gaten. Dan eindelijk bij de speedboot. De speedboot is klein, snel en met een hippe chauffeur. We worden afgezet bij onze steiger en bekijken ons ‘hotel’, kamertjes eigenlijk. Volstrekt minimaal: bed, kast, tafeltje, ventilator, spiegel, lamp. Leven speelt zich buiten af, aan de grote tafels op de steiger. Het is bijna kitsch zo mooi als het hier is: meteen al wat zeeschildpadden, een knalpaarse zeester, een blauwe vis, giga-zeeegels, een giftige (?) vis met wiervermomming, zodat het net lijkt of hij veren heeft. En dat in een half uur.

De dagen op Derawan zijn prachtig: Zwemmen vooral. Vlak voor de pier is een groot, gevarieerd koraalgebied met de meest ongelooflijke vissen. Allerlei kleuren, en zelfs een vis met ongeveer allemaal tegelijk. Vissen met een puntsnuit en een geel-blauwe staartvin. Een paar bekende vissen: murenes, pijlstaartroggen, maanvissen en een Nemo. Zeeschildpadden, die zelfs onder je doorzwemmen en de kinderen met zich meeslepen. Het eiland is zo klein, dat je er in een klein uurtje rustigjes aan helemaal omheen wandelt. Veel “Hello, hello” en “What’s your name” van de kinderen. Twee broertjes voetballen met één stel voetbalschoenen: een de linkerschoen, de ander de rechter. Het dorpje is erg sfeervol met een paar kleine winkeltjes en wat restaurantjes met een zeer beperkte kaart.
Derawan blijkt een zeeschildpaddenbeschermeiland te zijn. Locale ‘rangers’ graven de eieren die de schildpaddames leggen uit en herbegraven ze op een veilige plek. Per toeval komen we op een moment dat de eitjes uitkomen en mogen we de tientallen schildpadjes in zee loslaten. Ze hebben veel weg van opwindpoppetjes met hun fanatiek zwaaiende flippers. In deze heldere nacht met onbekende sterrenbeelden en een volle maan zwemmen ze naar zee.

We hebben een tripje geregeld naar een eilandje verderop: Kakaban. Een speedboottocht van 1,5 uur met onderweg een paar vliegende vissen gezien en inderdaad: ze vliegen. En dat is toch weer iets anders dan een beetje ver springen. Hoog water bij aankomst, het bootje kan bij de lange pier aanleggen. Vanaf de pier is er een houten constructie over de rug van het eiland naar het binnenmeer. Daar is een platformpje, waarvanaf we tussen de kwallen hebben gezwommen, de attractie van dit eiland, want deze soorten steken niet. Veel bruine, Scheveningse strandkwallen en een enkele dunne, halfdoorzichtige witte kwal.
Daarna gaan we terug naar het strand waar onze speedboot ligt. Het fijnste witte zand dat we ooit hebben gezien. Veel heremietkreeftjes zijn allemaal bezig vanaf het strand de ondoordringbare jungle op de rug van het eiland op te klimmen. Waarom toch? Lange strandwandeling gemaakt, bespottelijk veel schelpen en koraal op het strand gezien. Vanaf de pier na een moeizame klauterpartij (laag water) op slippers een duik genomen. Onvoorstelbaar mooi koraal, eerst een vlak stuk, daarna een ‘drop off’ naar 5 – 10 meter diep. Allerlei kleuren, vissen ook en allerlei vormen. Een onderwatercamera was toch een goed idee geweest.
De dagen rijgen zich aaneen. De kinderen houden zich onledig met het bouwen van diverse dierenvallen uit de SAS survivalgids. Het Dayakmes komt uitstekend van pas. Op deze laatste avond laten we, samen met andere toeristen nog een keer schildpadjes los. Een ranger schijnt in de zee, zodat de beestjes weten waar ze heen moeten. Het is snoezig.

Derde deel: bootreis over de Mahakam-rivier: Kalimantan-A
Een lange reisdag, met veel vertraging op het vliegveld, waarna we worden opgepikt door gids Petrus. Aardige oudere man, spreekt goed Engels. We zijn al behoorlijk verreisd, maar nu moeten we nog een paar uur in de auto. Tot zover dus een dag om over te slaan. Dat is meteen over als we de ‘houseboat’ zien. Een blauw geverfd houten schip van ongeveer 20 meter lang en 3 meter breed, beneden een dek met uitzicht, middenin een tafel voor 10 personen, achter een machinekamer, open keuken en twee toiletten, voor de kapiteinsplek en een trappetje omhoog. Boven een klein terrasje met vier stoelen en uitzicht en daarachter een giga grote slaapkamer van 10 bij 3 met matrassen en dekens en hoofdkussens. En vooral: geen mede toeristen. Het hele schip, de bemanning, inclusief kokkin, helemaal voor onszelf en er blijkt al meteen het meest chique diner tot zover klaar te staan. Soep, teveel vis (twee soorten) groente (twee soorten) maiskoekjes, rijst, fruit (ook mandarijnen). En of de volgende dag misschien toast bij het ontbijt wensen?

We varen de enorm brede Makaham rivier op. Onze boot is niet alleen luxe, maar ook nog snel en heeft de hele nacht doorgevaren, met het zoeklicht voortdurend aan en soms heen en weer schietend op zoek naar obstakels. Begin van de dag is het uitzicht wisselend. Soms landbouwgebied, soms wat armoedige huisjes op palen, winkeltjes, scheepswerven. En soms is het definitieve einde van alle schoonheid hier: grote steenkoolafgravingen en gigantische containers met steenkool. Eenmaal ook een houttransport: een voetbalveld aan boomstammen langzaam stroomafwaarts geholpen door een sleepboot waar een gigantische zwarte rookpluim uitkomt. Af en toe een langsvarende motorkano, soms met een brommer erop. Rond 10.00 uur worden de oevers helemaal groen: soms oerwoud, soms landbouw, een enkel boerderijtje en wat visvangst. We stappen over in twee motorkano’s, eigenlijk lange, smalle boten waarop je achter elkaar zit, met achterop de bestuurder. Die zit bij een flinke motor met daaraan een lange, beweegbare stang waaraan de schroef zit. Resultaat is een wat wankele, ongelooflijk lawaaierige, maar wel heel snelle boot met zeer weinig diepgang. Daarmee varen we een splitsing van de Makaham, de Muntai, op. De Mahakam is honderden meters breed en ook de Muntai is niet echt een klein riviertje. Eerst wat vissersdorpjes: daar wordt o.a. garnaal gevangen vanaf in de rivier drijvende platform met daarop een vernuftige hijsconstructie. De vissersdorpjes zelf zijn wonderlijk, want er is feitelijk geen achterland. Een of twee rijen huizen op palen, ongeveer twee meter boven (huidige) waterniveau, soms een drijvend winkeltje of platform of ander gebouwtje ervoor. Houten kades voorlangs, geen wegen. Transport gebeurt per motorkano. Boodschappend doen, kinderen naar school, vervoer van meubelen: alles per boot. Alle kindjes van deze dorpen zwaaien nog enthousiast naar die rare toeristen. Verderop wordt de rivier nog breder. Opeens blijken we op een kilometers breed meer te varen. Na het enorme meer duikt de motorkano weer de planten in en komen we uit op een smallere, kronkelende rivier door oerwoud die het goed zou doen in een James Bondfilm. Veel drijvende boomstammen die zich vermommen als krokodil, overhangende takken, bochten, ondieptes en afwisseling van licht en donker. Wij zien verschillende apen, waaronder een mensaap, maar tegen de tijd dat je een fototoestel hebt ingesteld, zijn ze met veel herrie vertrokken. Na een lange tocht komen we aan in een ‘traditioneel’ Dayakdorp. Mooi is het gerestaureerde, maar onbewoonde, longhouse, een beetje gênant de volksdansceremonie die volgde op de welkomstceremonie die wordt opgevolgd door de oprotceremonie. Daarvoor nog wel pijltjesblazen en elkaar onderkliederen met rijstverf en een Sinterklaasliedje zingen. In Steve Job’s woorden: “The journey is the reward”.
Daarna gelukkig weer een terugreis. Meer apen, een krokodil en een waterslang. Na het eten staat er nog een wandeling door Muara Muntai op het programma. Bekend van de ijzerhouten wegen, waarmee alle huizen daar zijn verbonden. In het donker lopen we op de plankieren, alles op zeker 1 meter hoogte. De rest van het land loopt bij tijd en wijle onder, zoals ook het schoolplein, met uitzondering dus van de straten en gebouwen zelf die op palen staan. Stikdonker is het hier, als straatlantaarns gelden hier de verandalampen. Veel, veel mooier dan onze helverlichte nachten.

We worden wakker in Tenggarong. Wegens regen eerst het museum en daarna de markt. De Lonely Planet noemt terecht de onbedoeld grappige trouwhoedjescollectie. Maar het leukst waren toch wel de Engelse vertalingen. Op de vismarkt blijkt de meeste vis nog een beetje te leven: garnalen, kreeften, krabben. Ook de groentemarkt is erg mooi, veel kleuren en raar fruit. Dan helaas afscheid van onze boot en bemanning en een autoreis (met twee auto’s) naar de Sambodja lodge.
Dat blijkt geen opgeleukte boomhut te zijn, zoals Peter zich had voorgesteld. Smaakvol en luxe is het eerste dat opvalt. Duidelijk ontworpen door iemand die weet wat de Europeanen mooi vinden en iets van ‘harmonie met de natuur’ in het ontwerp heeft willen stoppen en daar nog in geslaagd is ook. Rustige, natuurlijke kleuren, open met uitzicht meteen op het regenwoud. Uitzichtspunt met goed zicht op de orang-oetangeilanden. Alles bij elkaar een perfecte plek.

Ochtendprogramma: eerst Orang-oetans en zonneberen kijken, de Sambodja lodge is een apen- en zonneberenopvang. Daarna een veel te lange autorit naar een klein stukje bos met plusminus 30 meter hoge hangbrug. Leuk, maar na onze lange jungletocht niet speciaal meer. Daarna een rit naar de ‘black river’ die toch echt okerkleurig is. De beloofde peddelkano’s zijn vervangen door een motorkano. Dat blijkt geen probleem: zowel op de heen- als op de terugreis zien we flink wat neusapen.
Laatste dag alweer. Om half 10 met de auto naar een stuk regenwoud voor een trekking. Het beginstuk is een beetje ‘aangeharkt’ met nette houten paadjes over het moeras en naambordjes bij de bomen. Het is erg de moeite vanwege allerlei details die de rangers vertellen en laten zien: forest garlic bladeren die inderdaad naar knoflook smaken, sandalwood, een ‘aanmaakblokje’ hars. Het laatste stukje is moerassig, met hier en daar een leuke geïmproviseerde brug, met in het water stekende stokken die alleen voor het evenwicht een beetje helpen. Als we erover zijn, vertelt Petrus dat dit de rivier is waar vorig jaar een vrouwelijke toeriste tijdens het vissen door een krokodil is opgegeten. Daarna zijn alle kampeeractiviteiten afgelast, iets dat eigenlijk wel voor ons op het programma stond. Alleen Pepijn pleurt er een keer in, gelukkig bij een ander riviertje. Daarna afscheid genomen van Petrus. En via Banjarmasin, Djakarta en Dubai terug naar Amsterdam.

We danken Jan Staal vooral voor zijn vertrouwen in onze kinderen, waardoor we onze reis door de jungle hebben kunnen maken. Geen andere reisorganisatie was bereid om met kinderen zo’n serieuze jungletocht te ondernemen. Onterecht, naar achteraf bleek, en onvergetelijk voor ons en de kinderen. Het eiland Derawan is hemels, en ooit hopen we er terug te komen. De organisatie was bizar goed!